Overslaan en naar de inhoud gaan
vrouw en kind kijken naar een scherm

Het MAS is nog niet uitverteld

In aanloop van de expo ‘Luister’ ging het MAS op zoek naar verhalen. Verhalen worden doorverteld. Verhalen gebonden aan plekken in de stad. Aangespoelde verhalen die we leren kennen via gemeenschappen. Verhalen waar naar geluisterd wordt. Verhalen gevonden in de stad.

Je kan naar twaalf Antwerpse en wereldse verhalen luisteren in de tentoonstelling met een weloverwogen mix tussen fictie en non-fictie. Alle overblijvende verhalen worden gedocumenteerd en gearchiveerd. Illustratrice Shamisa Debroey brengt daarvan enkele verhalen tot leven met haar mooie illustraties.

Verhalen uit de districten

Berchem

De nacht van 12 op 13 januari 1932 was een rampnacht voor het befaamde Duitse Circus Sarrasani. Dat stond in die winterdagen opgesteld op de militaire domeinen in Berchem. Er brak brand uit in de kleedkamers! De brandweer en ook een aantal omwonenden waren snel op de plaats van het onheil, maar alles stond intussen al in lichterlaaie. Het was een koude nacht met krachtige rukwinden, vandaar. Daar houdt vuur van.

‘De dieren,’ dacht iemand plots! Te laat. Door die gemene wind waaiden er al gensters tot op het hooi in de stallen van de olifanten. Gensters en hooi, dat is een licht ontvlambare combinatie. En ook daar ging het razendsnel. Twee dikhuiden, Prinses en Adèle, bezweken jammer genoeg aan hun verwondingen. De totale schade voor Cricus Sarrasani was groot: meer dan 4 miljoen Belgische frank.

Berendrecht-Zandvliet-Lillo

Zandvliet. Uit het bos daar kwam er in een onbestemde tijd altijd maar een wit konijn, op de grens met Berendrecht. En de mensen maar jacht maken op dat rare beest, met velen zelfs, en dat konijn maar wegvluchten. Nooit kregen ze het te pakken.

Op een mooie nacht gingen mensen op ronde in het bos en kwamen ze op het idee om een stuk van het bos om te spitten. Wat toen gebeurde, houd je niet voor mogelijk: plotseling vond een van de spitters een pot met geld. En sindsdien heeft niemand het witte konijn nog gezien.

Borgerhout

Het is een opvallende naam: de Gitschotel in Borgerhout. Om de oorsprong ervan te achterhalen, trekken we naar de Borsbeekse Poort en naar de Spaanse tijd in Antwerpen. Bij een café daar hielden Spaanse soldaten de wacht. Die mannen dronken goed door, maar betalen, ho maar. Dat konden ze al veel minder goed.

Tot het de cafébazin te veel werd. Zij liep haastig naar boven, goot water in een kom en kletste dat uit over hun hoofden. Waarop de Spanjaarden – Nederlands was niet hun sterkste kant – riepen: ‘Jij, lelijke gietschotel.’ De naam ‘Gitschotel’ was geboren. Zegt het verhaal.

Deurne

Jan Olieslagers (1883-1942) stond ook bekend als ‘den Antwerpsen duivel’. Zijn loopbaan begon in de sector van de fietsenmakerij, maar al op zijn 17de verkocht Jan motoren en vestigde hij een wereldsnelheidsrecord: in een motorrace haalde hij 80 kilometer per uur. In die periode kreeg Olieslagers zijn duivelse bijnaam. Jaren later zou hij als eerste de kaap van de 100 kilometer per uur genomen hebben.

Vanaf 1909 had Olieslagers het voor de nog prille luchtvaart en werd hij in Frankrijk piloot, met opnieuw veel shows en nieuwe records. Olieslagers werd beroemd én rijk. Een eerder luguber liedje over hem dateert uit die tijd. Dit is de tekst: ‘Als Olieslagers dood valt, dan kopen wij een schaar. / En knippen heel de krullen van zijn pettelaar. / Als Olieslagers dood valt dan krijgen wij misschien / de helft van zijn centen en ook nog zijn vliegmachien. / Olieslagers, Olieslagers, Olieslagers val maar dood.’

Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte Jan Olieslagers honderden gevaarlijke vluchten en deed hij mee aan tientallen luchtgevechten. Het is onder meer zijn verdienste dat na de oorlog de luchthaven in Deurne er kwam (1923). De veelgelauwerde veteraan Olieslagers overleed in 1942, in volle oorlog. Vliegen en racen deed hij toen al een tijd niet meer.

Ekeren

Het was elke keer spannend voor wie in mei van Ekeren naar de kermis van Wilmarsdonk trok. Zou het lichtje te zien zijn, midden in het gras ergens onderweg? En zou het lichtje verdwijnen als je een kruisteken maakte? Het lichtje was niet iets om bang van te zijn, maar wel heel erg vreemd. Een klein lichtje tussen het gras, dat altijd vóór twaalf uur oplichtte. Als een vuurgeest. En als je ’s nachts terugkeerde, was het lichtje weg.

Wat was dat lichtje toch? Wel, het lichtje was de geest van een kind dat gestorven was vóór het gedoopt kon worden. Zo’n ongedoopt babyzieltje blijft rusteloos rondhangen. Als een lichtje in het gras.

Hoboken

Nello is een arme weesjongen. Hij woont in een boerendorp aan de rand van Antwerpen. Elke dag vervoert hij met zijn grootvader, die nog meevocht met Napoleon, melk naar de burgers in de grote stad. Op een dag vinden ze onderweg een achtergelaten, mishandelde trekhond, Patrasche. Die nemen ze mee. Nello en Patrasche worden een steeds grotere hulp voor de opa, die een dagje ouder wordt.

Nello is gelukkig: hij neemt de melkhandel zowat over, houdt intens van zijn hond én ook van de molenaarsdochter in zijn buurt. En hij kan zeer goed tekenen… Als hij de kathedraal van Antwerpen bezoekt, staat hij vol bewondering voor de schilderijen van Rubens. Er is één probleem: sommige schilderijen mag je niet zien als je er niet voor betaalt. En de arme Nello kán niet betalen. Dat zou Rubens zelf toch nooit hebben gewild?! Nello doet mee aan een tekenwedstrijd, om zijn talent te tonen.

Maar het lot keert. De molenaar wil niet dat zijn dochter en Nello vrienden zijn en hij geeft Nello de schuld als op een dag zijn molen afbrandt. Nello’s grootvader sterft. Door dat alles kan Nello geen melk meer verkopen en staat hij op straat. En de tekenwedstrijd, die wint hij niet. Het is te veel voor Nello. Op kerstavond stort hij uitgeput neer. In de kathedraal van Antwerpen, met Patrasche in zijn armen.

Nello ziet nog net hoe het maanlicht een schilderij belicht dat hij nooit mocht zien – het is Rubens’ beroemde Kruisafneming – en sterft.

(Naar Ouida, pseudoniem van Marie Louise de la Ramée, A Dog of Flanders, 1872)

Merksem

Nauwelijks tien jaar oud was hij toen hij stierf, maar Herman Wijns (1931-1941) leeft voort. Deze katholieke slagerszoon uit Merksem was misdienaar, wilde priester worden en heeft wonderlijke dingen verricht en gezegd, in de crisisjaren 1930. Maar Hermanneke straalde vooral iets uit wat je maar moeilijk kunt benoemen en wat je moet geloven.

Het is dan ook geen wonder dat er in het Vaticaan een aanvraag loopt om Hermanneke zalig te verklaren (en dat er een website aan de jongen is gewijd). Tot op vandaag vinden er diensten voor hem plaats en komen mensen bidden aan zijn graf aan de Van Heybeeckstraat, vaak om genezing. Daar getuigen de vele dankberichten bij zijn graf van.

Wilrijk

Om de vijf jaar trekt in Wilrijk de Geitenstoet door de straten, sinds 1965. Het is een ludieke stoet over de geschiedenis van de gemeente. Je leert er ook waarom Wilrijkenaren Geitenkoppen worden genoemd.

Dat zit zo. Wilrijk was een gemeente waar veel arme arbeiders woonden, in kleine huisjes. Om wat vlees en melk in huis te hebben – het was vaak een kwestie van overleven – hielden velen van hen een geitje, de zogenaamde ‘koe van de arme mensen’. Er werd wat meewarig en spottend gesproken over al die geitenbezitters. En toen in 1895 na een hevige kiesstrijd de katholieke partij het haalde op de liberalen, vonden de verliezers er niets beters op dan hun eigen Wilrijkenaren ‘Geitenkoppen’ te noemen. Ze hadden maar voor hen moeten stemmen, de dommerds. Een nieuwe spotnaam was geboren.

 

Over de expo:

Luister

Verhalen gevonden in de stad

In 2021 bestaat het MAS 10 jaar. Dat vieren we met een kleurrijke, aparte expo. We pakken uit met spannende en ontroerende verhalen uit Antwerpen over hebzuchtige reuzen, woelige liefdes, demonen en helden.

Curieus?

Verhalen uit de expo

Lees en beluister stukjes uit enkele verhalen die in de expo aan bod komen. Liefde, drama, hebzucht ... het zit er allemaal in.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief